12 August 2013

6a-2 Nederlands

{130/21}
THIT SKRIFT IS MY OWER NORHT.LAND 
JEFTHA SKÉNLAND JÉVEN.

Dit schrift is mij over Noordland

of Skénland (Schoonland) gegeven.

VNDERA TIDA THAT VS LAND DEL SÉG
WÉRE IK TO SKÉNLAND.
THÉR GVNG.ET ALSA TO.
THÉR WÉRON GRATE MARA
THÉR FON THA BODEME
LIK.EN BLÉS VT.SETTA.

In de tijd dat ons land verzonk

was ik te Schoonland.
Daar ging het zo toe:
Er waren grote meren
die van de bodem
als een blaas uitzetten.

THEN SPLITON HJA VT.ÉN.
UT.A RÉTA KÉM STOF
AST GLIADE ISER WÉRE.
THÉR WÉRON BERGA
THÉR THA KRUNNA OFSWIKTE.
THESSE TRULDON NÉTHER
AND BROCHTON WALDA AND THORPA WÉI.

Dan spleten ze uiteen.

Uit de reten kwam stof
dat als gloeiend ijzer was.
Er waren bergen
waar de kruinen afzwikten.
Deze truilden neer
en brachten wouden en dorpen weg.

IK SELF SA
THAT EN BERCH {131} FON THA ORA OF TORENT WRDE.
LIN.RIUCHT SÉG.ER DEL.
AS IK AFTERNÉI SJAN GVNG.
WAS THÉR EN MARE KVMEN.
THA JRTHA BÉTERAD WAS.
KÉM ER EN HÉRTOGA FON LINDAS BURCH WÉI.
MITH SIN FOLK AND EN FAM.

Ik zelf zag

dat een berg van de andere afgetorend werd.
Lijnrecht zeeg hij neer.
Toen ik daarna zien ging
was er een meer gekomen.
Toen Aarde hersteld was
kwam er een Hertog (legeraanvoerder) van Lindasburch (zie 090/10 en 147/11)
met zijn volk en Fam (burchtvrouwe, stedemaagd).

THJU FAM KÉTHE AL OMME.
THENE MAGI IS SKELDICH
AN AL.ETH LÉT THAT WI LÉDEN HAVE.
HJA TAGON IMMER FORTH
EN THET HÉR WARTH AL GRATER.
THENE MAGI FLUCHTE HINNE.
MAN FAND SIN LIK.
HI HÉDE SIN SELF VRDÉN.

De Fam verkondigde alom:

"De Magi is schuldig
aan al het leed dat we geleden hebben."
Ze trokken immer voort
en het heir (leger) werd al groter.
De Magi vluchtte heen.
Men vond zijn lijk.
Hij had zichzelf verdaan.

THA WRDON THA FINNA VRDRÉVEN.
NÉI ÉNRE STÉD.
THÉR MACHTON HJA LÉVA.
THÉR WÉRON FON BASTERDE BLODE.
THISSA MACHTON BILIWA.
THACH FÉLO GVNGON MITH THA FINNA MÉI.

Toen werden de Finnen verdreven

naar een andere plaats.
Daar mochten ze leven.
Er waren er ook van verbasterd bloed.
Deze mochten blijven,
doch vele gingen met de Finnen mee.

THI HÉRTOGA WARTH TO KÉNING KÉREN.
THA KARKA THÉR ÉL BILÉVEN WÉRON
WRDE VRDÉN.
SONT KOMATH THA GODA NORTH.LJUD
VAKEN TO TEXLAND VMB THERE MODERIS RÉD.
THA WI NE MUGATH HJAM
FOR NÉNE RJUCHTA FRYAS MAR NE HALDA.

De hertog werd tot koning gekozen.

De kerken die heel gebleven waren
werden verdaan (gesloopt).
Sindsdien komen de goede Noordlui
vaker naar Texland om raad van de Moeder.
Toch kunnen we hen
niet meer voor rechte Fryas houden.

INNA DÉNA MARKA IST SÉKUR
AS BI VS GVNGON.
THA STJURAR
THAM HJARA SELF THÉR STOLTELIKA SÉKAMPAR HÉTON.
SEND VPPIRA SKÉPA. GVNGON
AND AFTERNÉI SEN HJA TO BEK GVNGON. ~
HELD

In de Dene (lage) marken is het zeker

als bij ons gegaan.
De sturen (schippers),
die zichzelf daar trots Sékampar (zeekampers, sicambri?) noemen,
zijn op hun schepen gegaan
en naderhand zijn ze terug gekomen.
Heil.

HWERSA THENE KRODER EN TID
FORTH KRODEN HETH
THAN SKILUN THA AFTERKOMANDA WANA
THAT THA LÉKA AND BRÉKA
THÉR THA BROK.MANNA MITHBROCHT HAVE.
AJEN WERE AN HJARA ÉTHLA.
THÉR VR WIL IK WAKA
AND THUS SA FUL VR HJARA PLÉGA SKRIVA
AS IK SJAN HA. {132}

Wanneer de Kroder (kruier) een tijd

voortgekruid heeft,
dan zullen de nakomelingen wanen
dat de 'lekken en breuken'
die de Broekmannen meegebracht hebben,
eigen waren aan hun voorouders.
Daarover wil ik waken
en dus zo veel over hun plegen (gewoontes) schrijven
als ik gezien heb.

VR THA GÉRT.MANNA KAN IK RÉD HINNE STAPPA.
IK NAV NAVT FUL MITH RA OMME GVNGEN.
THA SA FÉR IK SJAN HA
SEND HJA THAT MAST BI TAL AND SÉD BILÉWEN.
THAT NE MÉI IK NAVT SEGZA FON THA OTHERA.

Over de Gértmannen kan ik snel heenstappen.

Ik heb niet veel met hun omgegaan.
Doch zover ik gezien heb,
zijn ze het meest bij taal en zeden gebleven.
Dat kan ik niet zeggen van de anderen.

THÉR FONA KRÉKALANDA WÉI KVME
SEND KWAD THER TAL
AND VPPIRA SÉD NE MÉI MAN ÉL NAVT BOGA.
FÉLO HAVATH BRUNA AGON AND HÉR.
HJA SEND NIDICH AND DRIST
AND ANG THRVCH OVERBILAWICHHÉD.

Die van de Krékalanden wegkomen

zijn kwaad van taal
en op hun zeden kan men heel niet bogen (niet trots zijn).
Velen hebben bruine ogen en haar.
Ze zijn nijdig en driest (dreigend)
en angstig door overbijgelovigheid.

HWÉRSA HJA SPÉKA
SA NOMATH HJA THA WORDA FAR VPPA
THÉR LERST KVMA MOSTA.
AJEN ALD SEGATH HJA AD
AJEN SALT SAD.
MA FORI MAN.
SEL FORI SKIL.
SODE FORI SKOLDE.
TO FUL VMB TO NOMANDE.

Als ze spreken,

noemen ze de woorden voorop,
die laatst komen moeten.
Tegen ALD (oud) zeggen ze AD,
tegen SALT (zout) SAD,
MA voor MAN (NB denk aan alle familienamen op -ma),
SEL voor SKIL (zal),
SODE voor SKOLDE (zoude);
te veel om te noemen.

AK FORATH HJA MÉST VRLADISKE AND BIKIRTE NOMA
HWÉRAN MAN NÉN SIN AN HEFTA NE MÉI.
THA JONJAR SPRÉKATH BÉTRE
THACH HJA SWIGATH THI .H.
AND HWÉRI NAVT NÉSA MOT
WARTH ER UTEKÉTH.

ook voeren ze meest overlandse en bekorte namen,

waaraan men geen zin hechten kan.
De Joniërs spreken beter,
doch zij verzwijgen de H,
en waar die niet wezen moet,
wordt hij uitgesproken.

HWERSA IMMAN EN BYLD MAKATH
AFTER ÉNNEN VRSTURVEN
AND THET LIKT
SA LAWATH HJA
THAT THENE GAST THES VRSTURVENE THÉR INNE FARATH.
THÉRVR HAVATH HJA ALLE BYLDA VRBURGEN.
FON FRYA. FASTA. MÉDÉA. THJANJA.
HELLÉNJA AND FÉLO OTHERA.

Wanneer iemand een beeld maakt

nadat er één verstorven is,
en het lijkt,
dan geloven ze
dat de geest des verstorvene daarin vaart.
Daarom hebben ze alle beelden verborgen
van Frya, Fasta (Vesta), Medea, Thjanja (Diana),
Hellénja (Nyhellenia, Minerva) en vele andere.

HWERTH THÉR EN BERN EBERN
SA KVMATH THA SIBBA ET SÉMNE
AND BIDDATH AN FRYA
THAT HJU HJARA FAMKES MÉI KVMA LÉTA
THAT BERN TO SÉENANDE.
HAVON HJA BÉDEN.
SA {133} NE MÉI NIMMAN HIM RORA NI HÉRA LÉTA.

Wordt er een bern (kind) geboren,

dan komen de sibben (familieleden) tesamen
en bidden tot Frya,
dat ze haar Famkes mag komen laten
om het kind te zegenen.
Hebben ze gebeden,
dan mag niemand zich roeren of horen laten.

KVMT ET BERN TO GRAJANDE.
AND HALT THIT EN STVNDE AN
ALSA IS THAT EN KWAD TÉKEN
AND MAN IS AN FORMODA
THAT THJU MAM HORDOM DÉN HETH.
THÉRVR HAV IK AL ARGE THINGA SJAN.

Komt het kind te grienen

en houdt dit een stonde (uur) aan,
dan is dat een kwaad teken
en vermoedt men
dat de Ma hoerdom gedaan heeft.
Daarover heb ik al erge dingen gezien.

KVMT ET BERN TO SLÉPANDE
SA IS THAT EN TÉKEN
THAT THA FAMKES VRET KVMEN SEND.
LAKT ET INNA SLÉP
SA HAVON THA FAMKES
THAT BERN LUK TO SÉIT.

Komt het kind te slapen,

dan is dat een teken
dat de Famkes gekomen zijn.
Lacht het in de slaap,
dan hebben de Famkes
het kind geluk toegezegd.

OLON LAWATH HJA AN BOSA GASTA.
HEXNA. KOLLA. ULDERMANKES. AND ELFUN
AS JEF HJA FON THA FINNA WEI KÉMEN.

Allen geloven ze aan boze geesten,

heksen, kollen, uldermankes (uier-?) en elfen,
alsof ze van de Finna wegkomen.

HYRMITHA WIL IK ENDA
AND NW MÉN IK
THA.K MAR SKRÉVEN HA.
AS ÉN MINRA ÉTHLA.
~ ~ ~ FRÉTHO.RIK.


Hiermede wil ik eindigen
en nu meen ik
dat ik meer geschreven heb
als een van mijn voorouders.
Fréthorik

No comments:

Post a Comment